dinsdag 16 juli 2013

Blended Learning 2.0 - een ontwerp voor een persoonlijke leeromgeving

Blended learning 2.0
een ontwerp voor een persoonlijke leeromgeving
Ron Heusdens



ABSTRACT
In dit artikel wordt een voorstel gedaan voor een informatiesysteem dat een hoge mate van integratieve functionaliteit van een leeromgeving realiseert. De leeromgeving is gebaseerd op het ‘blended learning’ concept en door toepassing van een mix van meerdere modaliteiten vormgegeven. Naar het oordeel van de auteur is het voorgestelde concept innovatief omdat het een nieuw, niet eerder toegepast, niveau van adaptie van persoonlijke studentkenmerken toestaat. In een alleszins veelomvattend en complex systeem kan een student volgens eigen leerstijl het leerprogramma (curriculum) doorlopen waarbij op het niveau van cursusmodule gekozen kan worden uit meerdere didactische (werk)vormen en methodieken. Dit staat toe dat de student een hoge mate van zelfwerkzaamheid (Simons, 2009) kan nastreven en actief participeert in het leerproces.

1.    INLEIDING

Al sinds een tweetal decennia, met de introductie van informatietechnologie in het onderwijs, speelt de vraag of de klassieke wijze van onderwijs wellicht zijn langste tijd gehad heeft. Met een sterk veranderde sociale interactie, onder andere veroorzaakt door de mogelijkheden van het Internet (Kraut et al, 1998; McKenna & Bargh, 1999), lijkt een deel van de studenten niet langer te worden aangesproken door het klassieke, klassikale onderwijs (Jones, 2002). Dat wil zeggen het onderwijs waarbij de docent voor de klas staat en de student geacht wordt in ‘real-time’, of synchroon in tijd gezien, de gehele instructie mee te maken. O.a. Kolb (1984) stelt dat iedere student zijn eigen geprefereerde wijze van leren heeft en dat idealiter de leerstof en werkvormen hierop zou moeten worden afgestemd. Dit betekent feitelijk dat slechts een manier van instructie (die gericht is op een groep die wordt geacht qua leerontvankelijkheid homogeen te zijn) nooit tot optimale resultaten kan leiden voor alle individuen uit de studentengroep.
Daarnaast is vooral het leren-op-afstand zoals dat in het algemeen wordt toegepast voor cursussen aan professionals uit het beroepsleven het domein geworden van zogenaamd e-learning (Dongsong Zhang, 2004) . Dit is een didactiek waarbij werkvormen worden toegepast die geheel zijn gebaseerd op ICT. In de praktijk blijkt dat deze strikte vorm, waarbij het aantal contactmomenten tussen student en docent en studenten onderling minimaal is, niet tot optimale resultaten leidt,  en een hoog studentenuitval heeft (Levy, 2004). Het vermoeden bestaat dat met name het belang van het zogenaamde ‘face-to-face’-contact ondergewaardeerd is.
In antwoord daarop is het zogenaamde blended learning ontstaan: een didactiek die is gebaseerd op een tussenvorm van traditioneel onderwijs en e-learning. Blended learning biedt een leeromgeving die ontstaat door menging van meerdere modaliteiten. Deze modaliteiten bepalen tijd, plaats, toegepaste media en wijze van interactie (Bonk et al. 2006) waarmee de leeromgeving wordt ingericht.
Wanneer we de modaliteiten waarmee een Blended Learning omgeving kan worden vormgegeven beschouwen volgens Bonk (2006), dan kan daarmee ook de traditionele vorm van onderwijs worden bepaald. We nemen de proef op de som en beschrijven eerst de reikwijdte van de modaliteiten. De eerste: de modaliteit ‘ruimte’ loopt van ‘live, fysiek via ‘gemengde realiteit’ tot ‘virtueel (gedistribueerd)’.  De modaliteit ‘tijd’ loopt van ‘synchroon (geen vertraging) tot asynchroon( lange vertraging in communicatie). De modaliteit ‘getrouwheid (Engels: Fidelity)’ loopt van ‘hoog (spreekt alle zintuigen aan) via ‘middelmatig (bijv. alleen geluid)’ tot ‘laag (alleen tekst)’. De modaliteit ‘menselijkheid (Engels: humanness)’ reikt van ‘hoog menselijk/geen machine) tot ‘laag (geen menselijke interactie/alleen machine). Als we vervolgens op basis van de aangeboden bandbreedte van de genoemde modaliteiten een traditionele leeromgeving willen typeren dan kan dat als volgt:
·       modaliteit ‘ruimte’: Live, fysiek, face-to-face.
·       modaliteit ‘tijd’: synchroon
·       modaliteit ‘getrouwheid’: laag (alleen tekst)
·       modaliteit ‘menselijkheid’: hoog menselijk/geen machine

Door combinaties te maken van de reikwijdte die de modaliteiten bieden, kan elke gewenste leeromgeving worden ingesteld. Dit noemen we een ‘blend (Nederlands: mix)’ van modaliteiten. Deze paragraaf laat zien dat volgens deze zienswijze een puur traditionele leeromgeving waarbij een docent voor de klas staat en een groep studenten toespreekt in een hoorcollege in feite gezien kan worden als een vorm van Blended Learning.

2.    CONTEXT BESCHRIJVING

De huidige maatschappij wordt gekenmerkt door een veranderende sociale interactie. Veel van deze veranderingen lijken toe te schrijven aan de mogelijkheden die Internet de mensheid biedt. Het Internet heeft het tot heden mogelijk gemaakt dat informatie op het moment dat het beschikbaar wordt gemaakt gedissemineerd is. Sociale netwerken maken een sterke opmars. De veranderingen bieden kansen en bedreigingen voor eenieder. Momenteel wordt veel studie gedaan naar de implicaties van Internet op de globale samenleving (McKenna & Bargh, 1999; Hargittai (2001). Vaak wordt gezegd dat we leven in de jaren van sociale verarming: we hebben wel contact maar meer oppervlakkig en niet meer echt persoonlijk. Mensen spreken elkaar niet meer zomaar aan op straat en kritische woorden ten aanzien van bijvoorbeeld fatsoen wordt vaak met hoon en agressie beantwoord (Van Stokkom, 2010).
Het traditionele onderwijs schijnt zich te kunnen onttrekken aan  de grote huidige sociale veranderingen. In veel onderwijsinstellingen, met name in het basisonderwijs, is het nog immer de leerkracht/docent die een beschermende omgeving schept die erop gericht is de leerlingen optimaal te laten presteren. In het voortgezet en hoger onderwijs is de binding tussen docent in student kleiner en daarmee de invloed op het leerproces van de student. De oorzaak hiervoor is verklaarbaar doordat het aantal contacturen met een de dezelfde leerkracht/docent minder is in combinatie met een leerling/student  in de puberteit/ (vroege)adolescentie die prioriteit geeft aan het zekerstellen van sociale relaties (Rubens, W., De Jong, Y. & Prozee, G. (2006).  
De huidige jeugd groeit op in grote welvaart die zij normaal achten. Met de welvaart komt een enorme keuzevrijheid die ruimte  biedt aan kansen, twijfel en ongerichtheid.
Het werkveld van de beroepsprofessional is dynamisch. Was het zo dat men vroeger onderwijs genoot om een vak te leren, nu blijkt dat medewerkers in staat moeten zijn mee te buigen met snel opeenvolgende veranderingen waarbij het lijkt dat niets meer zeker is. De baan die men houdt tot de pensioengerechtigde leeftijd bestaat vrijwel niet meer. Men verwacht van werknemers dat zij zichzelf bijscholen zodat bedrijven de vernieuwde kennis en vaardigheden kunnen inzetten om de welvaart via de basale economische principes te kunnen handhaven. In Europees verband is hiervoor het Life long Learning (LLL) programma gelanceerd [14]. Op dit moment zijn Europese onderwijsinstellingen bezig het LLL-programma in te bedden.

3.    PROBLEEM BESCHRIJVING

In het onderwijsproces wordt een groot beroep gedaan op de inventiviteit van de docent om effectieve werkvormen toe te passen in de lessen. Is de docent niet creatief en invoelend genoeg dan is de kans reëel dat een deel van de studenten niet tot optimale prestaties komt en mogelijk gedemotiveerd raakt waardoor het risico op schooluitval toeneemt (van Bragt et al, 2011). Studenten uit het (hoger) beroepsonderwijs besluiten mogelijk tot een andere studie(richting) waardoor ze studievertraging oplopen met alle consequenties van dien.
Blended Learning (BL) biedt een mogelijkheid om de afhankelijkheid van de ideale docent die rekening houdt met individuele leerstijlen en andere preferenties, voorkennis en aanleg deels te compenseren. Een leeromgeving die als BL-omgeving is ingericht biedt studenten(groepen) de mogelijkheid een leerprogramma te doorlopen waarbij de beoogde kennis en vaardigheden kunnen worden verworven op een wijze die recht doet aan student en docent. Een blended learning omgeving stelt studenten in staat tijd- en plaats-onafhankelijk te studeren. Dit kan op school maar ook thuis of elders. Dit kan zijn in groepen of alleen. Dit kan zijn door het doornemen van eerder opgenomen colleges (‘weblectures’) en/of ‘kennisclips’ (waarbij een specifiek stuk theorie wordt behandeld) dan wel door het bijwonen van een college op de traditionele ‘face-to-face’-wijze. Ofwel een combinatie van de genoemde mogelijkheden.
Volgens de auteur ontstaat het probleem bij de implementatie van de BL-omgeving. De meeste implementaties bieden beperkte functionaliteit, zijn niet gericht op de individuele student maar ingericht op het niveau van cursus, in algemene zin niet goed genoeg doordacht en ambitieus genoeg om recht te doen aan de potentie die deze gemengde leeromgeving kan bieden. Dit lijkt te maken te hebben met de suboptimale toepassing van ICT, een didactiek die niet goed genoeg doordacht is om werkelijk rekening te houden  met uiteenlopende leerstijlen en een gebrek aan visie/ambitie op dit onderwerp binnen de organisatie van het onderwijsinstituut.
Wanneer een gedeelde netwerkmap (folder) via Internet bereikbaar is en studenten daar toegang hebben tot bestanden zoals presentaties die tijdens het college worden gegeven dan valt dit binnen de definitieruimte van een blended learning omgeving. Wanneer een college integraal wordt opgenomen op video en vervolgens beschikbaar wordt gezet in voornoemde netwerkmap dan valt dit binnen het operationele bereik van de blended learning omgeving maar wat een armoedige omgeving is dit dan nog! Een blended learning omgeving is meer dan een ladekast waarin digitaal leermateriaal wordt opgeslagen. De auteur betoogt dat dit het meest minimale begin van een BL-omgeving is. Wat werkelijk nodig is zijn digitale varianten van alle onderdelen van het leerprogramma (curriculum) die facultatief kunnen worden benut door een specifieke student. De omgeving dient aldus rekening te houden met de voorkeur van de student. De voorkeur van de student zal gestuurd worden door de leerstijl van de student. Een optimale Blended Learning omgeving zal in verregaande mate rekening moeten houden met de leerstijl van de gebruikers van de omgeving.
De tijd dat een nieuwe versie van Blended Learning, Blended Learning 2.0, beschikbaar komt is aangebroken.



4.    ONTWERP

In deze paragraaf wordt het functionele ontwerp van een blended learning omgeving op hoofdlijnen beschreven. Alvorens de functionaliteit van de diverse subsystemen te beschrijven, eerst een noot over de technische werkomgeving van het Blended Learning applicatiesysteem. Een basisvereiste voor alle systemen is uiteraard dat deze altijd en overal beschikbaar zijn.

Deze paragraaf begint met een gedachtenexperiment. Stel  een student voor die net begonnen is aan een voltijds Hbo-opleiding met studierichting Bouwkunde. De student is ingedeeld in een van 10 klassen ter grootte van ca. 25 studenten. Er is sprake van traditioneel ‘face-to-face’, klassikaal onderwijs waarbij de docent het lesmateriaal aan de hand van een presentatie toelicht en de student al het lesmateriaal aantreft in een reader die voor aanvang van de cursus beschikbaar is gemaakt op een ‘elo’ (elektronische leeromgeving). In het eerste semester wordt aandacht besteed aan onder andere de basisvakken wiskunde en natuurkunde. Bij natuurkunde worden de onderwerpen bouwfysica (geluid en warmteleer) en mechanica behandeld. Onze student blijkt affiniteit te hebben met exacte materie en geen enkele moeite te hebben met deze vakken. Onze student merkt dat de voorkennis in zijn klas een grote spreiding kent. De meeste studenten hebben moeite met het vak en slechts enkelen hebben, ook blijkens de mini-toetsen die ze aan het einde van elke les foutloos maken, geen problemen met de leerstof. Onze student wordt niet uitgedaagd door de leerstof en verveelt zich enigszins maar blijft in de klas omdat hij graag een goed resultaat wil behalen voor het vak natuurkunde. Binnen is binnen. De student komt van het VWO en bleek daar goed in exacte vakken. Hij heeft als VWO-scholier vaak met andere scholieren gewerkt aan opdrachten die als groep moest worden uitgevoerd. Hij gaf er de voorkeur aan om alleen te werken. Naar zijn mening kon je dan beter opschieten en hoefde je niet elk detail af te stemmen. Zelf trad hij niet zo op de voorgrond en hij kon zich wel eens ergeren aan mede-groepsgenoten die iedereen leken te willen overschreeuwen zonder dat ze nou ergens veel verstand van hadden. Hij is meer introvert en hoeft niet zo op de voorgrond. Door de ervaringen op zijn oude school en nu ook op het Hbo realiseert de student zich dat hij een bepaalde leerstijl heeft. Hij vindt dat kennisvakken zoals natuurkunde en wiskunde goed zelfstandig te bestuderen zijn met het juiste leermateriaal. Hij is zich bewust van de leerstrategieën die een student tot zijn beschikking heeft. Hij had zich laten vertellen dat hij een hoge mate van zelfwerkzaamheid heeft en heeft geleerd hoe je moet leren. Zijn oude docent noemde dat ‘zelfverantwoordelijk leren’. Voor hem is het een normale zaak dat je jezelf goed voorbereid op je studietaken. Hij vindt het feit dat zijn school geen rekening houdt met zijn leervoorkeur een gemis.

Het ontwerp van de Blended Learning omgeving houdt in hoge mate rekening met de persoonlijke leerkenmerken van een student. Nadat de student de eerste keer inlogt op het systeem wordt een zogenaamde Wizard opgestart die tot doel heeft de leerstijl van de student vast te stellen. De vaststelling gebeurt op basis van 44-vragen volgens een methodiek die gebaseerd is op de leerstijltheorie van Felder en Silvermann (1988). De gevonden leerstijl wordt opgeslagen bij de persoonlijke kenmerken van de student. Als een student na de eerste vaststelling van de leerstijl hier op terug zou willen komen is hij/zij vrij om de configuratie ‘leerkenmerken’ op dit punt te herzien. Het blijkt dat de leerstijl over tijd gezien voor een individuele student kan wijzigen (Blommer, 2000). Het systeem kan in deze wijziging voorzien.
De kern van de applicatieomgeving bestaat uit functies waarmee regels kunnen worden vastgelegd. Deze regels werken op basis van gegevens uit een relationele  database. De database is gevuld met de gegevens van alle actieve componenten uit de leeromgeving. Dit zijn in willekeurige volgorde: studenten, docenten, medewerkers, curricula, beschrijvingen van kennis en vaardigheden, studiepunten- en bsa-norm, toetsen (summatief, formatief), leermiddelen (readers, presentaties, weblectures, kennisclips, digitale instructievormen), roosters en faciliteiten (incl. lokalen). De ‘workflow’, dat in het Nederlands vertaald is als werkstroom beschrijft de inhoudelijke afhankelijkheid en daarmee de volgorde van de cursussen. Sommige vakken moeten na elkaar worden gevolgd. Andere cursussen kunnen op willekeurige wijze gedurende het leerprogramma worden doorlopen. 
De omgeving biedt de mogelijkheid om voor te beschrijven. Deze beschrijving vindt plaats op het niveau van een cursus/vak. Wil het leerproces effectief verlopen dan is het gewenst dat de leerstof aansluit bij datgene dat de student al weet, m.a.w. aansluit bij het meta-cognitieve model van de student. Op deze wijze wordt nieuwe informatie beter verankerd en op effectieve wijze geassocieerd met reeds aanwezige kennis (Ausubel, van Parreren). De basis voor het beschrijven van de voorkennis zijn de leerdoelen hetgeen betekent dat de voorkennis voor elk vak apart moet worden vastgelegd. Door de student gemarkeerde kennis als voorkennis betekent niet dat deze (voor)kennis buiten toetsing valt.
Verder kan de student aangeven hoe zijn weekplanning er uit ziet. Bijvoorbeeld wanneer hij op school kan zijn om colleges en werkbesprekingen mee te maken en wanneer niet (bijvoorbeeld omdat hij dan werkt).
Daarnaast worden per student de volgende gegevens vastgelegd: behaalde resultaten voor iedere cursus uit curriculum, behaald aantal studiepunten, aantal toets-pogingen, wijze waarop cursus(onderdeel) is doorlopen (afhankelijk van modaliteit van leeromgeving. bijv. in groep op school of solitair op afstand), nog af te ronden cursussen. Voor elk nog af te ronden cursus wordt de door de student geprefereerde studiewijze opgeslagen. Deze informatie wordt door de student zelf bijgehouden. Indien studenten deze informatie, die in feite hun gehele leerweg vastlegt, nog niet hebben toegevoegd aan het systeem, past het systeem zelf op basis van de leerstijl van de student een  standaard keuze toe. De student kan hierop op enig moment wijzigingen aanbrengen en heeft zo het volledige beheer over de wijze waarop hij/zij de studie wil inrichten.
Het is van belang dat de gegevens in de database up-to-date zijn en worden gehouden.

Het uitvoersubsysteem zorgt ervoor dat informatie op de gewenste wijze bij de gebruiker komt. Uitvoer is  beschikbaar op het medium waarmee de gebruiker zichzelf identificeert. Dat kan een willekeurige www-browser zijn op een pc, tablet of mobiele telefoon. Sommige gegevensoverzichten zijn zodanig veelomvattend dat ze technisch wel maar praktisch niet op het kleine beeldschermpje van een telefoon kunnen worden getoond. In de regel kan gesteld worden dat minimaal de beeldschermgrootte van een tablet (zoals een iPad) vereist is om alle informatie op gebruiksvriendelijke wijze te verwerken.
Op elk moment kan de student inzicht krijgen in zijn behaalde resultaten, zijn rooster, de vakken die reeds en nog behaald moeten worden en een voorgestelde volgorde (aan de hand van de relevante workflow) van de nog te behalen vakken. Deze overzichten kunnen als tekst en/of actieve figuren/pictogrammen worden gepresenteerd. Actieve figuren zijn figuren waarop kan worden ingezoomd om vervolgens te kunnen springen naar met het onderwerp  geassocieerde informatie.
Ook is al het lesmateriaal beschikbaar op het uitvoermedium. De digitale leeromgeving onthoudt de laatst gedane gebruikersactie. Als een sessie wordt afgebroken en daarna hervat wordt, kan de student op precies dezelfde stap verder gaan. Dit is bijvoorbeeld handig als de student zichzelf toetst aan de hand van een meerkeuzevragen-zelftest. 
Naar verwachting zal de proliferatie van tablet computers zoals de iPad zich blijven voltrekken. Dit betekent dat binnen enkele jaren alle studenten feitelijk tegen lage kosten over een intelligent, multimediaal, mobiel apparaat kunnen beschikken waarmee ze ‘anytime, anywhere’ toegang tot Internet (en dus de Blended Learning leeromgeving) kunnen krijgen.

De voorgestelde Blended Learning omgeving is complex omdat de persoonlijke context van een veelvoud van (leer)taken op elk moment beschikbaar moet zijn en in real-time d.w.z. zonder tijdvertraging, dus instantaan  gewijzigd moet kunnen worden. En dit dan voor duizenden studenten tegelijkertijd.
Voor elke student wordt de omgeving vooraf geconfigureerd. In deze configuratiefase, die dus wordt uitgevoerd voordat de student kan inloggen op het systeem, wordt per student vastgelegd hoe de mate van sturing moet zijn. Het systeem onderscheidt losse, gedeeltelijke en strakke sturing. Bij een losse sturing heeft de student de meeste vrijheid om de vorm en het verloop van het leerprogramma in te stellen. De vakdocent kan kennis nemen van de beslissingen van de student en wordt door het systeem op de hoogte gebracht indien een student een hoorcollege komt volgen. Bij een strakke sturing is het de docent die voor de student de leertaakvolgorde en werkvormen vaststelt. Bij een gedeelde sturing hebben zowel de docent als de student mogelijkheden om het verloop van het leerprogramma te configureren.
Ook de zogenaamde omgevingsvariabelen worden via de ‘Dashboard’–module beheerd. Door middel van omgevingsvariabelen wordt de reikwijdte van de Blended Learning leeromgeving ingesteld (let wel: per student(groep)). Voorbeeld van een beperking in reikwijdte is het uitsluiten van het volgen van weblectures indien het van belang is voor een leertaak om de verwerking van nieuwe kennis gekozen wordt om studenten in staat te stellen in groepen  (en niet solitair) actief, construerend met leerstof bezig te zijn.

5.    Blended Learning 2.0: bottomline
Indien de Blended Learning omgeving alleen bestaat uit het, al dan niet digitaal, beschikbaar stellen van didactische instrumenten en werkvormen zonder dat rekening wordt gehouden met de (mogelijk veranderlijke) persoonlijke leerpreferentie van de student zal dit tot minder goede leerresultaten leiden dan wanneer wel rekening wordt gehouden met die preferentie (Mohr, Holtbrügge & Berg, 2011). In dit artikel wordt betoogt dat de optimale leeromgeving in hoge mate rekening houdt met de persoonlijke leerstijl. Dit maakt dat de student zelf kan bepalen hoe het lesprogramma wordt doorlopen, zowel op het niveau van de individuele cursus alsook op het niveau van de opleiding (het complete curriculum). Dit stelt specifieke eisen aan het curriculumontwerp omdat bepaald lesmateriaal op diverse manieren moet worden ontworpen en aangeboden. De inhoud blijft hierbij gelijk, de vorm echter zal wijzigen door toepassing van verschillende didactische instrumenten en werkvormen.

Stel een student voor die in de nabije toekomst start met de opleiding Bouwkunde aan een Hbo-instelling die heeft geïnvesteerd in een Blended Learning 2.0 omgeving. De student wordt uitgenodigd via e-mail om in de leeromgeving zij/haar leerstijl vast te leggen. Op basis van deze en andere voorkeurkenmerken legt het systeem een persoonlijk leerroute vast. De leerroute omvat een opgave van de vakken (en haar onderdelen) uit het curriculum die wel en niet volgordelijk, wel en niet in groepen, wel en niet klassikaal dienen te worden gevolgd: de ‘blend’ van modaliteiten die in hoge mate rekening houdt met de voorkeuren en kernmerken van de lerende. Een van de vakken is het verplichte vak natuurkunde waarbij de onderwerpen warmte, geluid en statica worden behandeld. De student blijkt grote affiniteit te hebben met het vakonderdeel mechanica en kan direct al in lesweek 1 zijn kennis toetsen aan de hand van een aantal formatieve testen die in de leeromgeving beschikbaar zijn. Hij doet een aanvraag voor een summatieve (deel)toets voor dit onderdeel en het systeem verleent hem deze toestemming. Zonder dat de student een docent heeft geraadpleegd of klassikaal les heeft gehad legt de student in lesweek 3 reeds de deeltoets mechanica met goed gevolg af. De student ziet vrijwel direct na het met goed gevolg afleggen van de toets dat het cijfer is bijgeschreven in het persoonlijke ‘dashboard’ van de digitale leeromgeving. Hij is opgelucht en kan nu tijd wijden aan het voor hem moeilijkere onderdeel ‘geluid’. Hij besluit zich de lesstof eigen te maken door het op afstand doorlopen van een veelheid aan kennisclips die online beschikbaar zijn in het systeem in combinatie met het volgen van hoorcolleges voor dit vakonderdeel.  De student geeft bij de Nationale Studenten Enquête op het punt van leren aan erg blij te zijn met de geavanceerde leeromgeving.

Wat levert een verregaande, persoonlijk afgestemde  (deels digitale) leeromgeving op? Hieronder een opsomming van een aantal speculaties die zijn af te leiden uit de toegepaste ontwerpdoelen. De omgeving voorziet in effectieve ontmoetingen tussen studenten en docenten. Studenten schrijven in voor een hoorcollege. Ze maken die keuze bewust. De student had ook kunnen kiezen om het hoorcollege niet ‘live’ te volgen, maar via een webcast. De docent treft meer gemotiveerde studenten in zijn zaal. Grotere studenttevredenheid en motivatie omdat de student zelfverantwoordelijk kan zijn. Mogelijk heeft dit een effect op studievertraging en/of uitval. Dit zal nader moeten worden onderzocht maar is aannemelijk. Verbeterde leerprestaties. Doordat de student het leerprogramma volgt in lijn met zijn eigen leerstijl zullen de prestaties verhogen.
24 x 7, hetgeen betekent ‘around-the-clock’ learning is mogelijk met het voorgestelde systeem.
Verder zien we als bijkomend gevolg dat de administratieve, organisatorische overhead verkleind wordt. Immers, zeer veel informatie is centraal beschikbaar. Last but not least kan het systeem bijdragen aan vermindering van het aantal vervoersbewegingen door studenten en medewerkers van het opleidingsinstituut doordat men niet elke dag op school aanwezig hoeft te zijn. Dit is goed voor  mobiliteit en duurzaamheid. De precieze effecten hiervan dienen in een studie te worden gekwantificeerd maar kunnen naar mijn mening significant bijdragen tot een reductie van de carbon footprint van het opleidingsinstituut. Onderzoek naar de in dit artikel genoemde positieve effecten op leerprestaties door inzet van de geoptimaliseerde persoonlijke leeromgeving zal nader moeten worden uitgevoerd.

6.    LITERATUUR

[1]    Felder, R.M., & Silverman, L.K. (1988). Learning and teaching styles in engineering education [Electronic Version]. Engr. Education, 78(7), 674-681.
[2]    Bonk, C.J. & Graham, C.R. (2006). The handbook of Blended Learning – Global perspectives, local design. San Fransisco: Pfeiffer.
[3]    Simons, R (1995). De Didactiek van leren leren. Tilburg: Mesoconsult b.v.
[4]    Mohr, A.T.,Holtbrugge, D.& Berg, N. (2012). Learning style preferences and the perceived usefulness of e-learning. Teaching in higher education. Vol. 17, No. 3, June 2012, p. 309-322.
[5]    Verkroost, e.a. (2008). Finding a balance in dimensions of blended learning. International Journal on E-Learning 7(3), 499-522.
[6]    Kraut, Robert; Patterson, Michael; Lundmark, Vicki; Kiesler, Sara; Mukophadhyay, Tridas; Scherlis, William. American Psychologist, Vol 53(9), Sep 1998, 1017-1031
[7]    Katelyn Y. A. McKenna & John A. Bargh. Causes and Consequences of Social Interaction on the Internet: A Conceptual Framework. Media Psychology. Volume 1, Issue 3, 1999. p. 249-269
[8]    Jones, Steve (2002). The Internet Goes to College: How Students Are Living in the Future with Today's Technology. Pew Internet and American Life Project, Washington, DC.
[9]    Dongsong Zhang; Zhao, J. Leon; Lina Zhou; Nunamaker, Jr. Can e-learning replace classroom learning? Communications of the ACM; May 2004, Vol. 47 Issue 5, p75-79, 5p
[10] Levy,Y. (2004). Comparing dropouts and persistence in e-learning courses. Elsevier Science Direct Computers & Education 48 (2007) 185–204
[11] Hargittai, E.; Neuman, W.R.; Robinson, J. P.; DiMaggio, P.(2001) Social implications of the Internet. Annual Review of Sociology. Vol.27,Ed.1;p.307
[12] Stokkom, Bas van (2010). Wat een hufter! Ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing. Amsterdam: Boom
[13] Rubens, W., De Jong, Y. & Prozee, G. (2006) Trendstudie. Nieuwe vormen van  onderwijs voor een nieuwe generatie studenten Expertisecentrum ICT in het onderwijs, IVLOS
[15] Bloomer, M. (2000-01-01). Learning Careers: continuity and change in young people's dispositions to learning. British educational research journal, 26(5), 583
[16] Van Bragt A.C., Bakx A., Bergen T., Croon M. (2011) Looking for students’ personal characteristics predicting study outcome. Higher Education January 2011, Volume 61, Issue 1, pp 59-75

woensdag 10 april 2013

Kleine kwaliteit kan niet groot genoeg zijn


In het hoger onderwijs wordt het begrip ‘kleine kwaliteit’ gehanteerd. Grote kwaliteit gaat over (borging van) de processen rond inhoudelijke zaken als onderwijs, onderzoek, organisatie, et cetera; de kleine betreft dienstverlening aan de student. Kleine kwaliteit gaat over het tijdig beschikbaar maken van roosters en roosterwijzigingen, zorgen dat de student gemaakte tentamens snel kan inzien, het adequaat reageren op klachten en probleemmeldingen, een up-to-date ingerichte digitale leeromgeving, snel mogen verwachten antwoord te krijgen op een vraag die aan een docent per e-mail wordt gesteld: goede duidelijke informatie-verstrekking zodat de student zich optimaal kan richten op de studietaken in plaats van zich te moeten bekommeren om triviale, maar noodzakelijke, informatie en diensten.

Zonder overdrijven mag gesteld worden dat elke hogeschoolinstelling zich de nodige zorgen maakt als het moment weer gekomen is dat opleidingen moeten worden geaccrediteerd. Aantoonbare borging van afspraken die eerder gemaakt zijn over van alles en nog wat binnen een complexe matrixorganisatie is geen sinecure en vereist de nodige aandacht en voorbereiding. In een poging om de last van accreditatie te verminderen  introduceerde de Minister van Onderwijs in het document ‘Focus op kwaliteit’ (OCW, 2009) de instellingsaudit voor hoger onderwijs-instellingen. Indien hogescholen deze toets met goed gevolg doorstaan is sprake van ‘verdiend vertrouwen’ en worden de opleidingen van die instelling  volgens een alternatief regime getoetst op hun onderwijskwaliteiten. Uitgangspunt hierbij is dat de professional zijn of haar aandacht kan steken in verbetersuggesties van deskundigen die over kernfacetten van het vak gaan en zich minder bezig hoeft te houden met allerlei randvoorwaardelijke facetten die meer op het niveau van de instelling liggen. Zo kan meer ruimte geboden worden aan de professional om te werken aan verdere substantiële kwaliteitsverbetering.

Maar wat merkt de student van het nimmer aflatende streven van hogeschoolinstellingen om te voldoen aan hun kwaliteitsdoelen? Heeft het visitatieteam van onafhankelijke experts (dat een oordeel uitspreekt over ‘accreditatiewaardigheid’ van een opleiding en dit beschrijft in een  opleidingsrapport) wel oog voor de kleine kwaliteit? Is dat belangrijk?

In de NCR van 30 maart jl. wordt melding gemaakt van verziekte verhoudingen bij de Vrije Universiteit Amsterdam. Docenten vinden geen gehoor voor hun onvrede die naar verluid al jaren sluimert als een veenbrand. “Al werk ik me suf om het allerbeste onderwijs te geven, als ik eerst een tijd bezig ben een geschikte collegezaal te zoeken, geven studenten me toch een slechte beoordeling”, zegt een docent. De VU blijkt nog niet toe aan de instellingsaudit zo is inmiddels komen vast te staan. In het oordeel van een ingehuurde onderzoekscommissie “speelt de nadruk op formele processen en het gebrek aan aandacht voor informele contacten de VU parten”. De studenttevredenheid heeft een dalende trend en ligt ver onder het landelijk gemiddelde. De kleine kwaliteit wordt door studenten als onder de maat beschouwd en deze steken dit niet onder stoelen of banken.

Het is de kleine kwaliteit die sterk spreekt in de Nationale Studenten Enquête. Vraag een doorsnee student naar zijn/haar opleiding en grote kans dat deze eerst zal noemen of zaken rond het onderwijs al dan niet goed geregeld zijn. De beoordeling (accreditatie) van grote kwaliteit wordt beïnvloed door de kleine kwaliteit. De kleine kwaliteit wordt grotendeels bepaald door professionaliteit. En daarmee raken we de essentie: de drijvende kracht achter kwaliteit, de grote en de kleine, wordt bepaald door het professionele gedrag van de medewerker op alle niveaus binnen de schoolorganisatie. Het lijkt er op dat als de kleine kwaliteit niet deugt,  de grote kwaliteit ook nog veel te wensen over laat.
Kleine kwaliteit ontstaat bottom-up; professionals worden warm van kleine kwaliteit; professionals bekommeren zich om het welzijn van studenten en elkaar. Ze zijn betrokken. Professionals willen leren en zijn bereid om naar het eigen handelen te kijken. Onderwijsverzorgende professionals gaan intervisie en collegiale consultatie niet uit de weg. Professionals vragen en bieden ondersteuning. Het belang van het team moet hierbij niet onderschat worden: een goed team maakt het mogelijk dat persoonlijke, professionele uitdagingen minder persoonlijk worden gemaakt en voor lastenverlichting en saamhorigheid zorgt. Het is de ‘will to please’ van de professional die zorgt voor een grote kleine kwaliteit.
Maar een professionele houding moet blijvend worden gevoed. Medewerkers moeten gelukkig zijn in hun werkomgeving. Ze moeten gehoord worden en het gevoel hebben en zien dat hun bijdrage er toe doet. Tijdig weten wat er speelt, goed of slecht. Transparante communicatie. Het lijken net studenten.




Literatuur

OCW (2009). Focus op kwaliteit. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

zondag 6 mei 2012

Ter introductie

Ik zie de aanwezigheid van de mens op aarde als iets tijdelijks. Dat wij slechts passanten zijn en dat wij geen permanente sporen van onze aanwezigheid moeten nalaten. Dat wij de aarde met respect behandelen. Maar niet iedereen denkt zoals ik want het blijkt dat we, op globale schaal, een collectieve arrogantie hebben door te denken dat de aarde er alleen voor ons is, vrij om te gebruiken zonder echt rekening te houden met haar andere bewoners.

De aarde kan volgens mij niet worden vernietigd, in ieder geval niet door de mens. De mens kan wel zichzelf vernietigen door haar eigen leefomgeving om zeep te helpen. En daar wordt hard aan gewerkt jammer genoeg. Het is een complexe probleemstelling met ingrediënten als (recht op) welvaart en globalisering. Per saldo worden de natuurlijke bronnen zo zwaar belast dat de grens van zelfherstel flagrant wordt overschreden met totale uitputting als eindresultaat. Er is een groeiend politieke besef dat het proces omgekeerd moet worden. Echter, een breed draagvlak om verregaande maatregelen te nemen ontbreekt vooralsnog.
Gelukkig ontstaat in brede maatschappelijke echelons tegengeluid.

Ik ben erg begaan met de natuur en de evenwichten die er in plaats hebben. Ik interesseer me enorm in het ontstaan en ontwikkeling van de aarde. Ik ben me ervan bewust dat we slecht tijdelijke passanten zijn op aarde. Het misstaat ons door zo'n beslag te leggen op de aardse bronnen en leefomgevingen voor plant en dier.



"We can‘t solve problems by using the same kind of thinking we used when we created them".

Albert Einstein (1879-1955)

zaterdag 5 mei 2012

Review The Coconut Revolution

Vorige week een film opgezet. Een engelse documentaire genaamd 'the coconut revolution'.In de film wordt getoond hoe de lokale bevolking van het eiland Bougainville zich verzet tegen de vernietiging van het landschap. Ter plaatse is namelijk gedurende een tweetal decennia (1967-1988) de koperertsmijn Panguna geëxploiteerd. De erts werd aan het oppervlakte gewonnen en bracht grote veranderingen aan in het landschap. Op het laatst bedroegen de afmetingen ca. 7 km2 met een maximale diepte van 500 meter. Met de mijn werd het jachtterrein van de lokale bevolking vernietigd. Het werd duidelijk dat de eigenaar niets deed om het effect van de activiteit op de omgeving te compenseren of te beperken. De rivier in de omgeving raakte ernstig verontreinigd met de zware metalen die vrijkwamen bij de ontginning: kwik, koper, lood en arsenicum. Het water werd zo vervuild dat niets meer leeft in de rivier. Dit zal waarschijnlijk nog vele tientallen jaren zo voortduren.

Van de 3 miljard USD winst die het bedrijf maakte is niets teruggevloeid naar de lokale bevolking.
Na een mislukte onderhandeling over een schikking besloot Frances Ona, het lokale dorpshoofd, tot sabotage van de inrichting. Met effect, niet lang erna werd de activiteit gestaakt. De werknemers van het bedrijf ontvluchtte het eiland, al het materieel achterlatend. Het materieel dat overigens eerst werd vernietigd zodat het niet kon worden gebruikt. Dachten ze.

Wat ontstond gedurende een lange periode van totale isolatie van de buitenwereld, aangebracht door de regering van Papoea Nieuw Guinea (PNG) omdat ze lastig bleven op het eiland, was een reeks van innovaties. Innovaties die de eilandbewoners moesten ontwikkelen om te overleven.