Blended learning 2.0
een ontwerp voor een
persoonlijke leeromgeving
Ron
Heusdens
ABSTRACT
In dit artikel wordt
een voorstel gedaan voor een informatiesysteem dat een hoge mate van
integratieve functionaliteit van een leeromgeving realiseert. De leeromgeving
is gebaseerd op het ‘blended learning’ concept en door toepassing van een mix
van meerdere modaliteiten vormgegeven. Naar het oordeel van de auteur is het
voorgestelde concept innovatief omdat het een nieuw, niet eerder toegepast,
niveau van adaptie van persoonlijke studentkenmerken toestaat. In een alleszins
veelomvattend en complex systeem kan een student volgens eigen leerstijl het
leerprogramma (curriculum) doorlopen waarbij op het niveau van cursusmodule
gekozen kan worden uit meerdere didactische (werk)vormen en methodieken. Dit
staat toe dat de student een hoge mate van zelfwerkzaamheid (Simons, 2009) kan
nastreven en actief participeert in het leerproces.
1.
INLEIDING
Al
sinds een tweetal decennia, met de introductie van informatietechnologie in het
onderwijs, speelt de vraag of de klassieke wijze van onderwijs wellicht zijn
langste tijd gehad heeft. Met een sterk veranderde sociale interactie, onder
andere veroorzaakt door de mogelijkheden van het Internet (Kraut et al, 1998;
McKenna & Bargh, 1999), lijkt een deel van de studenten niet langer te
worden aangesproken door het klassieke, klassikale onderwijs (Jones, 2002). Dat
wil zeggen het onderwijs waarbij de docent voor de klas staat en de student
geacht wordt in ‘real-time’, of synchroon in tijd gezien, de gehele instructie
mee te maken. O.a. Kolb (1984) stelt dat iedere student zijn eigen
geprefereerde wijze van leren heeft en dat idealiter de leerstof en werkvormen
hierop zou moeten worden afgestemd. Dit betekent feitelijk dat slechts een
manier van instructie (die gericht is op een groep die wordt geacht qua
leerontvankelijkheid homogeen te zijn) nooit tot optimale resultaten kan leiden
voor alle individuen uit de studentengroep.
Daarnaast
is vooral het leren-op-afstand zoals dat in het algemeen wordt toegepast voor
cursussen aan professionals uit het beroepsleven het domein geworden van
zogenaamd e-learning (Dongsong Zhang, 2004) . Dit is een didactiek waarbij
werkvormen worden toegepast die geheel zijn gebaseerd op ICT. In de praktijk
blijkt dat deze strikte vorm, waarbij het aantal contactmomenten tussen student
en docent en studenten onderling minimaal is, niet tot optimale resultaten
leidt, en een hoog studentenuitval heeft
(Levy, 2004). Het vermoeden bestaat dat met name het belang van het zogenaamde
‘face-to-face’-contact
ondergewaardeerd is.
In
antwoord daarop is het zogenaamde blended learning ontstaan: een didactiek die
is gebaseerd op een tussenvorm van traditioneel onderwijs en e-learning.
Blended learning biedt een leeromgeving die ontstaat door menging van meerdere
modaliteiten. Deze modaliteiten bepalen tijd, plaats, toegepaste media en wijze
van interactie (Bonk et al. 2006) waarmee de leeromgeving wordt ingericht.
Wanneer we de modaliteiten waarmee een Blended
Learning omgeving kan worden vormgegeven beschouwen volgens Bonk (2006), dan
kan daarmee ook de traditionele vorm van onderwijs worden bepaald. We nemen de
proef op de som en beschrijven eerst de reikwijdte van de modaliteiten. De
eerste: de modaliteit ‘ruimte’ loopt
van ‘live, fysiek via ‘gemengde realiteit’ tot ‘virtueel (gedistribueerd)’. De modaliteit ‘tijd’ loopt van ‘synchroon (geen vertraging) tot asynchroon( lange
vertraging in communicatie). De modaliteit ‘getrouwheid (Engels: Fidelity)’
loopt van ‘hoog (spreekt alle zintuigen aan) via ‘middelmatig (bijv. alleen
geluid)’ tot ‘laag (alleen tekst)’. De modaliteit ‘menselijkheid (Engels: humanness)’ reikt van ‘hoog menselijk/geen
machine) tot ‘laag (geen menselijke interactie/alleen machine). Als we
vervolgens op basis van de aangeboden bandbreedte van de genoemde modaliteiten
een traditionele leeromgeving willen typeren dan kan dat als volgt:
·
modaliteit ‘ruimte’: Live, fysiek, face-to-face.
· modaliteit ‘tijd’: synchroon
· modaliteit ‘getrouwheid’: laag (alleen tekst)
· modaliteit ‘menselijkheid’: hoog
menselijk/geen machine
Door combinaties te
maken van de reikwijdte die de modaliteiten bieden, kan elke gewenste
leeromgeving worden ingesteld. Dit noemen we een ‘blend (Nederlands: mix)’ van
modaliteiten. Deze paragraaf laat zien dat volgens deze zienswijze een puur
traditionele leeromgeving waarbij een docent voor de klas staat en een groep
studenten toespreekt in een hoorcollege in feite gezien kan worden als een vorm
van Blended Learning.
2.
CONTEXT BESCHRIJVING
De
huidige maatschappij wordt gekenmerkt door een veranderende sociale interactie.
Veel van deze veranderingen lijken toe te schrijven aan de mogelijkheden die
Internet de mensheid biedt. Het Internet heeft het tot heden mogelijk gemaakt
dat informatie op het moment dat het beschikbaar wordt gemaakt gedissemineerd
is. Sociale netwerken maken een sterke opmars. De veranderingen bieden kansen
en bedreigingen voor eenieder. Momenteel wordt veel studie gedaan naar de
implicaties van Internet op de globale samenleving (McKenna & Bargh, 1999; Hargittai (2001). Vaak wordt gezegd
dat we leven in de jaren van sociale verarming: we hebben wel contact maar meer
oppervlakkig en niet meer echt persoonlijk. Mensen spreken elkaar niet meer
zomaar aan op straat en kritische woorden ten aanzien van bijvoorbeeld fatsoen
wordt vaak met hoon en agressie beantwoord (Van Stokkom, 2010).
Het
traditionele onderwijs schijnt zich te kunnen onttrekken aan de grote huidige sociale veranderingen. In
veel onderwijsinstellingen, met name in het basisonderwijs, is het nog immer de
leerkracht/docent die een beschermende omgeving schept die erop gericht is de
leerlingen optimaal te laten presteren. In het voortgezet en hoger onderwijs is
de binding tussen docent in student kleiner en daarmee de invloed op het
leerproces van de student. De oorzaak hiervoor is verklaarbaar doordat het
aantal contacturen met een de dezelfde leerkracht/docent minder is in
combinatie met een leerling/student in
de puberteit/ (vroege)adolescentie die prioriteit geeft aan het zekerstellen
van sociale relaties (Rubens, W., De Jong, Y. & Prozee, G. (2006).
De
huidige jeugd groeit op in grote welvaart die zij normaal achten. Met de
welvaart komt een enorme keuzevrijheid die ruimte biedt aan kansen, twijfel en ongerichtheid.
Het
werkveld van de beroepsprofessional is dynamisch. Was het zo dat men vroeger
onderwijs genoot om een vak te leren, nu blijkt dat medewerkers in staat moeten
zijn mee te buigen met snel opeenvolgende veranderingen waarbij het lijkt dat
niets meer zeker is. De baan die men houdt tot de pensioengerechtigde leeftijd
bestaat vrijwel niet meer. Men verwacht van werknemers dat zij zichzelf
bijscholen zodat bedrijven de vernieuwde kennis en vaardigheden kunnen inzetten
om de welvaart via de basale economische principes te kunnen handhaven. In
Europees verband is hiervoor het Life
long Learning (LLL) programma gelanceerd [14]. Op dit moment zijn Europese
onderwijsinstellingen bezig het LLL-programma in te bedden.
3.
PROBLEEM BESCHRIJVING
In
het onderwijsproces wordt een groot beroep gedaan op de inventiviteit van de
docent om effectieve werkvormen toe te passen in de lessen. Is de docent niet
creatief en invoelend genoeg dan is de kans reëel dat een deel van de studenten
niet tot optimale prestaties komt en mogelijk gedemotiveerd raakt waardoor het
risico op schooluitval toeneemt (van Bragt et al, 2011). Studenten uit het
(hoger) beroepsonderwijs besluiten mogelijk tot een andere studie(richting)
waardoor ze studievertraging oplopen met alle consequenties van dien.
Blended
Learning (BL) biedt een mogelijkheid om de afhankelijkheid van de ideale docent
die rekening houdt met individuele leerstijlen en andere preferenties,
voorkennis en aanleg deels te compenseren. Een leeromgeving die als BL-omgeving
is ingericht biedt studenten(groepen) de mogelijkheid een leerprogramma te
doorlopen waarbij de beoogde kennis en vaardigheden kunnen worden verworven op
een wijze die recht doet aan student en docent. Een blended learning omgeving
stelt studenten in staat tijd- en plaats-onafhankelijk te studeren. Dit kan op
school maar ook thuis of elders. Dit kan zijn in groepen of alleen. Dit kan
zijn door het doornemen van eerder opgenomen colleges (‘weblectures’) en/of ‘kennisclips’
(waarbij een specifiek stuk theorie wordt behandeld) dan wel door het bijwonen
van een college op de traditionele ‘face-to-face’-wijze.
Ofwel een combinatie van de genoemde mogelijkheden.
Volgens
de auteur ontstaat het probleem bij de implementatie van de BL-omgeving. De
meeste implementaties bieden beperkte functionaliteit, zijn niet gericht op de
individuele student maar ingericht op het niveau van cursus, in algemene zin niet
goed genoeg doordacht en ambitieus genoeg om recht te doen aan de potentie die
deze gemengde leeromgeving kan bieden. Dit lijkt te maken te hebben met de
suboptimale toepassing van ICT, een didactiek die niet goed genoeg doordacht is
om werkelijk rekening te houden met
uiteenlopende leerstijlen en een gebrek aan visie/ambitie op dit onderwerp
binnen de organisatie van het onderwijsinstituut.
Wanneer
een gedeelde netwerkmap (folder) via Internet bereikbaar is en studenten daar
toegang hebben tot bestanden zoals presentaties die tijdens het college worden
gegeven dan valt dit binnen de definitieruimte van een blended learning
omgeving. Wanneer een college integraal wordt opgenomen op video en vervolgens
beschikbaar wordt gezet in voornoemde netwerkmap dan valt dit binnen het
operationele bereik van de blended learning omgeving maar wat een armoedige
omgeving is dit dan nog! Een blended learning omgeving is meer dan een ladekast
waarin digitaal leermateriaal wordt opgeslagen. De auteur betoogt dat dit het
meest minimale begin van een BL-omgeving is. Wat werkelijk nodig is zijn
digitale varianten van alle onderdelen van het leerprogramma (curriculum) die
facultatief kunnen worden benut door een specifieke student. De omgeving dient
aldus rekening te houden met de voorkeur van de student. De voorkeur van de
student zal gestuurd worden door de leerstijl van de student. Een optimale
Blended Learning omgeving zal in verregaande mate rekening moeten houden met de
leerstijl van de gebruikers van de omgeving.
De
tijd dat een nieuwe versie van Blended Learning, Blended Learning 2.0,
beschikbaar komt is aangebroken.
4. ONTWERP
In deze paragraaf wordt het functionele ontwerp van een blended learning omgeving op hoofdlijnen beschreven. Alvorens de functionaliteit van de diverse subsystemen te beschrijven, eerst een noot over de technische werkomgeving van het Blended Learning applicatiesysteem. Een basisvereiste voor alle systemen is uiteraard dat deze altijd en overal beschikbaar zijn.
Deze paragraaf begint
met een gedachtenexperiment. Stel een student voor die net begonnen is aan een
voltijds Hbo-opleiding met studierichting Bouwkunde. De student is ingedeeld in
een van 10 klassen ter grootte van ca. 25 studenten. Er is sprake van
traditioneel ‘face-to-face’, klassikaal onderwijs waarbij de docent het
lesmateriaal aan de hand van een presentatie toelicht en de student al het
lesmateriaal aantreft in een reader die voor aanvang van de cursus beschikbaar
is gemaakt op een ‘elo’ (elektronische leeromgeving). In het eerste semester
wordt aandacht besteed aan onder andere de basisvakken wiskunde en natuurkunde.
Bij natuurkunde worden de onderwerpen bouwfysica (geluid en warmteleer) en
mechanica behandeld. Onze student blijkt affiniteit te hebben met exacte
materie en geen enkele moeite te hebben met deze vakken. Onze student merkt dat
de voorkennis in zijn klas een grote spreiding kent. De meeste studenten hebben
moeite met het vak en slechts enkelen hebben, ook blijkens de mini-toetsen die
ze aan het einde van elke les foutloos maken, geen problemen met de leerstof. Onze
student wordt niet uitgedaagd door de leerstof en verveelt zich enigszins maar
blijft in de klas omdat hij graag een goed resultaat wil behalen voor het vak
natuurkunde. Binnen is binnen. De student komt van het VWO en bleek daar goed
in exacte vakken. Hij heeft als VWO-scholier vaak met andere scholieren gewerkt
aan opdrachten die als groep moest worden uitgevoerd. Hij gaf er de voorkeur
aan om alleen te werken. Naar zijn mening kon je dan beter opschieten en hoefde
je niet elk detail af te stemmen. Zelf trad hij niet zo op de voorgrond en hij
kon zich wel eens ergeren aan mede-groepsgenoten die iedereen leken te willen
overschreeuwen zonder dat ze nou ergens veel verstand van hadden. Hij is meer
introvert en hoeft niet zo op de voorgrond. Door de ervaringen op zijn oude
school en nu ook op het Hbo realiseert de student zich dat hij een bepaalde
leerstijl heeft. Hij vindt dat kennisvakken zoals natuurkunde en wiskunde goed
zelfstandig te bestuderen zijn met het juiste leermateriaal. Hij is zich bewust
van de leerstrategieën die een student tot zijn beschikking heeft. Hij had zich
laten vertellen dat hij een hoge mate van zelfwerkzaamheid heeft en heeft
geleerd hoe je moet leren. Zijn oude docent noemde dat ‘zelfverantwoordelijk
leren’. Voor hem is het een normale zaak dat je jezelf goed voorbereid op je
studietaken. Hij vindt het feit dat zijn school geen rekening houdt met zijn
leervoorkeur een gemis.
Het ontwerp van de
Blended Learning omgeving houdt in hoge mate rekening met de persoonlijke leerkenmerken
van een student. Nadat de student de eerste keer inlogt op het systeem wordt
een zogenaamde Wizard opgestart die tot doel heeft de leerstijl van de student
vast te stellen. De vaststelling gebeurt op basis van 44-vragen volgens een
methodiek die gebaseerd is op de leerstijltheorie van Felder en Silvermann
(1988). De gevonden leerstijl wordt opgeslagen bij de persoonlijke kenmerken
van de student. Als een student na de eerste vaststelling van de leerstijl hier
op terug zou willen komen is hij/zij vrij om de configuratie ‘leerkenmerken’ op
dit punt te herzien. Het blijkt dat de leerstijl over tijd gezien voor een
individuele student kan wijzigen (Blommer, 2000). Het systeem kan in deze
wijziging voorzien.
De kern van de
applicatieomgeving bestaat uit functies waarmee regels kunnen worden
vastgelegd. Deze regels werken op basis van gegevens uit een relationele database. De database is gevuld met de
gegevens van alle actieve componenten uit de leeromgeving. Dit zijn in
willekeurige volgorde: studenten, docenten, medewerkers, curricula,
beschrijvingen van kennis en vaardigheden, studiepunten- en bsa-norm, toetsen
(summatief, formatief), leermiddelen (readers, presentaties, weblectures,
kennisclips, digitale instructievormen), roosters en faciliteiten (incl.
lokalen). De ‘workflow’, dat in het Nederlands vertaald is als werkstroom
beschrijft de inhoudelijke afhankelijkheid en daarmee de volgorde van de
cursussen. Sommige vakken moeten na elkaar worden gevolgd. Andere cursussen
kunnen op willekeurige wijze gedurende het leerprogramma worden doorlopen.
De omgeving biedt de
mogelijkheid om voor te beschrijven. Deze beschrijving vindt plaats op het
niveau van een cursus/vak. Wil het leerproces effectief verlopen dan is het
gewenst dat de leerstof aansluit bij datgene dat de student al weet, m.a.w.
aansluit bij het meta-cognitieve model van de student. Op deze wijze wordt
nieuwe informatie beter verankerd en op effectieve wijze geassocieerd met reeds
aanwezige kennis (Ausubel, van Parreren). De basis voor het beschrijven van de voorkennis
zijn de leerdoelen hetgeen betekent dat de voorkennis voor elk vak apart moet
worden vastgelegd. Door de student gemarkeerde kennis als voorkennis betekent
niet dat deze (voor)kennis buiten toetsing valt.
Verder kan de student
aangeven hoe zijn weekplanning er uit ziet. Bijvoorbeeld wanneer hij op school
kan zijn om colleges en werkbesprekingen mee te maken en wanneer niet
(bijvoorbeeld omdat hij dan werkt).
Daarnaast worden per
student de volgende gegevens vastgelegd: behaalde resultaten voor iedere cursus
uit curriculum, behaald aantal studiepunten, aantal toets-pogingen, wijze waarop
cursus(onderdeel) is doorlopen (afhankelijk van modaliteit van leeromgeving.
bijv. in groep op school of solitair op afstand), nog af te ronden cursussen.
Voor elk nog af te ronden cursus wordt de door de student geprefereerde
studiewijze opgeslagen. Deze informatie wordt door de student zelf bijgehouden.
Indien studenten deze informatie, die in feite hun gehele leerweg vastlegt, nog
niet hebben toegevoegd aan het systeem, past het systeem zelf op basis van de
leerstijl van de student een standaard
keuze toe. De student kan hierop op enig moment wijzigingen aanbrengen en heeft
zo het volledige beheer over de wijze waarop hij/zij de studie wil inrichten.
Het is van belang dat
de gegevens in de database up-to-date zijn en worden gehouden.
Het uitvoersubsysteem
zorgt ervoor dat informatie op de gewenste wijze bij de gebruiker komt. Uitvoer
is beschikbaar op het medium waarmee de
gebruiker zichzelf identificeert. Dat kan een willekeurige www-browser zijn op
een pc, tablet of mobiele telefoon. Sommige gegevensoverzichten zijn zodanig
veelomvattend dat ze technisch wel maar praktisch niet op het kleine
beeldschermpje van een telefoon kunnen worden getoond. In de regel kan gesteld
worden dat minimaal de beeldschermgrootte van een tablet (zoals een iPad)
vereist is om alle informatie op gebruiksvriendelijke wijze te verwerken.
Op elk moment kan de
student inzicht krijgen in zijn behaalde resultaten, zijn rooster, de vakken
die reeds en nog behaald moeten worden en een voorgestelde volgorde (aan de
hand van de relevante workflow) van de nog te behalen vakken. Deze overzichten
kunnen als tekst en/of actieve figuren/pictogrammen worden gepresenteerd.
Actieve figuren zijn figuren waarop kan worden ingezoomd om vervolgens te
kunnen springen naar met het onderwerp
geassocieerde informatie.
Ook is al het
lesmateriaal beschikbaar op het uitvoermedium. De digitale leeromgeving onthoudt
de laatst gedane gebruikersactie. Als een sessie wordt afgebroken en daarna
hervat wordt, kan de student op precies dezelfde stap verder gaan. Dit is
bijvoorbeeld handig als de student zichzelf toetst aan de hand van een meerkeuzevragen-zelftest.
Naar verwachting zal
de proliferatie van tablet computers zoals de iPad zich blijven voltrekken. Dit
betekent dat binnen enkele jaren alle studenten feitelijk tegen lage kosten
over een intelligent, multimediaal, mobiel apparaat kunnen beschikken waarmee
ze ‘anytime, anywhere’ toegang tot
Internet (en dus de Blended Learning leeromgeving) kunnen krijgen.
De voorgestelde
Blended Learning omgeving is complex omdat de persoonlijke context van een
veelvoud van (leer)taken op elk moment beschikbaar moet zijn en in real-time d.w.z. zonder tijdvertraging,
dus instantaan gewijzigd moet kunnen
worden. En dit dan voor duizenden studenten tegelijkertijd.
Voor elke student
wordt de omgeving vooraf geconfigureerd. In deze configuratiefase, die dus
wordt uitgevoerd voordat de student kan inloggen op het systeem, wordt per
student vastgelegd hoe de mate van sturing moet zijn. Het systeem onderscheidt
losse, gedeeltelijke en strakke sturing. Bij een losse sturing heeft de student
de meeste vrijheid om de vorm en het verloop van het leerprogramma in te stellen.
De vakdocent kan kennis nemen van de beslissingen van de student en wordt door
het systeem op de hoogte gebracht indien een student een hoorcollege komt
volgen. Bij een strakke sturing is het de docent die voor de student de
leertaakvolgorde en werkvormen vaststelt. Bij een gedeelde sturing hebben zowel
de docent als de student mogelijkheden om het verloop van het leerprogramma te
configureren.
Ook de zogenaamde
omgevingsvariabelen worden via de ‘Dashboard’–module
beheerd. Door middel van omgevingsvariabelen wordt de reikwijdte van de Blended
Learning leeromgeving ingesteld (let wel: per student(groep)). Voorbeeld van
een beperking in reikwijdte is het uitsluiten van het volgen van weblectures
indien het van belang is voor een leertaak om de verwerking van nieuwe kennis gekozen
wordt om studenten in staat te stellen in groepen (en niet solitair) actief, construerend met
leerstof bezig te zijn.
5. Blended Learning 2.0: bottomline
Indien de Blended Learning omgeving alleen bestaat
uit het, al dan niet digitaal, beschikbaar stellen van didactische instrumenten
en werkvormen zonder dat rekening wordt gehouden met de (mogelijk
veranderlijke) persoonlijke leerpreferentie van de student zal dit tot minder
goede leerresultaten leiden dan wanneer wel rekening wordt gehouden met die
preferentie (Mohr, Holtbrügge & Berg, 2011). In dit artikel wordt betoogt
dat de optimale leeromgeving in hoge mate rekening houdt met de persoonlijke
leerstijl. Dit maakt dat de student zelf kan bepalen hoe het lesprogramma wordt
doorlopen, zowel op het niveau van de individuele cursus alsook op het niveau
van de opleiding (het complete curriculum). Dit stelt specifieke eisen aan het
curriculumontwerp omdat bepaald lesmateriaal op diverse manieren moet worden
ontworpen en aangeboden. De inhoud blijft hierbij gelijk, de vorm echter zal
wijzigen door toepassing van verschillende didactische instrumenten en
werkvormen.
Stel
een student voor die in de nabije toekomst start met de opleiding Bouwkunde aan
een Hbo-instelling die heeft geïnvesteerd in een Blended Learning 2.0 omgeving.
De student wordt uitgenodigd via e-mail om in de leeromgeving zij/haar
leerstijl vast te leggen. Op basis van deze en andere voorkeurkenmerken legt
het systeem een persoonlijk leerroute vast. De leerroute omvat een opgave van
de vakken (en haar onderdelen) uit het curriculum die wel en niet volgordelijk,
wel en niet in groepen, wel en niet klassikaal dienen te worden gevolgd: de
‘blend’ van modaliteiten die in hoge mate rekening houdt met de voorkeuren en
kernmerken van de lerende. Een van de vakken is het verplichte vak natuurkunde
waarbij de onderwerpen warmte, geluid en statica worden behandeld. De student
blijkt grote affiniteit te hebben met het vakonderdeel mechanica en kan direct
al in lesweek 1 zijn kennis toetsen aan de hand van een aantal formatieve
testen die in de leeromgeving beschikbaar zijn. Hij doet een aanvraag voor een
summatieve (deel)toets voor dit onderdeel en het systeem verleent hem deze
toestemming. Zonder dat de student een docent heeft geraadpleegd of klassikaal les
heeft gehad legt de student in lesweek 3 reeds de deeltoets mechanica met goed
gevolg af. De student ziet vrijwel direct na het met goed gevolg afleggen van
de toets dat het cijfer is bijgeschreven in het persoonlijke ‘dashboard’ van de
digitale leeromgeving. Hij is opgelucht en kan nu tijd wijden aan het voor hem
moeilijkere onderdeel ‘geluid’. Hij besluit zich de lesstof eigen te maken door
het op afstand doorlopen van een veelheid aan kennisclips die online
beschikbaar zijn in het systeem in combinatie met het volgen van hoorcolleges
voor dit vakonderdeel. De student geeft
bij de Nationale Studenten Enquête op het punt van leren aan erg blij te zijn
met de geavanceerde leeromgeving.
Wat levert een verregaande, persoonlijk
afgestemde (deels digitale) leeromgeving
op? Hieronder een opsomming van een aantal speculaties die zijn af te leiden
uit de toegepaste ontwerpdoelen. De omgeving voorziet in effectieve
ontmoetingen tussen studenten en docenten. Studenten schrijven in voor een
hoorcollege. Ze maken die keuze bewust. De student had ook kunnen kiezen om het
hoorcollege niet ‘live’ te volgen, maar via een webcast. De docent treft meer
gemotiveerde studenten in zijn zaal. Grotere studenttevredenheid en motivatie
omdat de student zelfverantwoordelijk kan zijn. Mogelijk heeft dit een effect
op studievertraging en/of uitval. Dit zal nader moeten worden onderzocht maar
is aannemelijk. Verbeterde leerprestaties. Doordat de student het leerprogramma
volgt in lijn met zijn eigen leerstijl zullen de prestaties verhogen.
24 x 7, hetgeen betekent ‘around-the-clock’ learning is mogelijk met het voorgestelde
systeem.
Verder zien we als bijkomend gevolg dat de
administratieve, organisatorische overhead verkleind wordt. Immers, zeer veel
informatie is centraal beschikbaar. Last
but not least kan het systeem bijdragen aan vermindering van het aantal
vervoersbewegingen door studenten en medewerkers van het opleidingsinstituut
doordat men niet elke dag op school aanwezig hoeft te zijn. Dit is goed
voor mobiliteit en duurzaamheid. De
precieze effecten hiervan dienen in een studie te worden gekwantificeerd maar kunnen
naar mijn mening significant bijdragen tot een reductie van de carbon footprint
van het opleidingsinstituut. Onderzoek naar de in dit artikel genoemde
positieve effecten op leerprestaties door inzet van de geoptimaliseerde
persoonlijke leeromgeving zal nader moeten worden uitgevoerd.
6.
LITERATUUR
[1] Felder, R.M., &
Silverman, L.K. (1988). Learning and teaching styles in engineering education
[Electronic Version]. Engr. Education, 78(7), 674-681.
[2]
Bonk, C.J. & Graham,
C.R. (2006). The handbook of
Blended Learning – Global perspectives, local design. San
Fransisco: Pfeiffer.
[3]
Simons, R (1995). De Didactiek
van leren leren. Tilburg: Mesoconsult b.v.
[4]
Mohr,
A.T.,Holtbrugge, D.& Berg, N. (2012). Learning style preferences and the
perceived usefulness of e-learning. Teaching in higher
education. Vol. 17, No. 3, June 2012, p. 309-322.
[5] Verkroost, e.a.
(2008). Finding a balance in dimensions
of blended learning. International Journal on E-Learning 7(3), 499-522.
[6] Kraut, Robert; Patterson,
Michael; Lundmark, Vicki; Kiesler, Sara; Mukophadhyay, Tridas; Scherlis,
William. American Psychologist, Vol 53(9), Sep 1998, 1017-1031
[7] Katelyn Y. A. McKenna &
John A. Bargh. Causes and Consequences of
Social Interaction on the Internet: A Conceptual Framework. Media
Psychology. Volume 1, Issue 3, 1999. p. 249-269
[8] Jones, Steve
(2002). The Internet Goes to College: How
Students Are Living in the Future with Today's Technology. Pew Internet and
American Life Project, Washington, DC.
[9] Dongsong Zhang;
Zhao, J. Leon; Lina Zhou; Nunamaker, Jr.
Can e-learning replace classroom learning? Communications of the ACM; May 2004,
Vol. 47 Issue 5, p75-79, 5p
[10] Levy,Y. (2004). Comparing dropouts and persistence in
e-learning courses. Elsevier Science Direct Computers & Education 48
(2007) 185–204
[11] Hargittai, E.;
Neuman, W.R.; Robinson, J. P.; DiMaggio, P.(2001) Social implications of the Internet. Annual Review of Sociology.
Vol.27,Ed.1;p.307
[12] Stokkom, Bas van
(2010). Wat een hufter! Ergernis,
lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing. Amsterdam: Boom
[13] Rubens, W., De
Jong, Y. & Prozee, G. (2006) Trendstudie.
Nieuwe vormen van onderwijs voor een
nieuwe generatie studenten Expertisecentrum ICT in het onderwijs, IVLOS
[15] Bloomer, M.
(2000-01-01). Learning Careers:
continuity and change in young people's dispositions to learning. British
educational research journal, 26(5), 583
[16] Van Bragt A.C., Bakx
A., Bergen T., Croon M. (2011) Looking
for students’ personal characteristics predicting study outcome. Higher
Education January 2011, Volume 61, Issue 1, pp 59-75

