woensdag 10 april 2013

Kleine kwaliteit kan niet groot genoeg zijn


In het hoger onderwijs wordt het begrip ‘kleine kwaliteit’ gehanteerd. Grote kwaliteit gaat over (borging van) de processen rond inhoudelijke zaken als onderwijs, onderzoek, organisatie, et cetera; de kleine betreft dienstverlening aan de student. Kleine kwaliteit gaat over het tijdig beschikbaar maken van roosters en roosterwijzigingen, zorgen dat de student gemaakte tentamens snel kan inzien, het adequaat reageren op klachten en probleemmeldingen, een up-to-date ingerichte digitale leeromgeving, snel mogen verwachten antwoord te krijgen op een vraag die aan een docent per e-mail wordt gesteld: goede duidelijke informatie-verstrekking zodat de student zich optimaal kan richten op de studietaken in plaats van zich te moeten bekommeren om triviale, maar noodzakelijke, informatie en diensten.

Zonder overdrijven mag gesteld worden dat elke hogeschoolinstelling zich de nodige zorgen maakt als het moment weer gekomen is dat opleidingen moeten worden geaccrediteerd. Aantoonbare borging van afspraken die eerder gemaakt zijn over van alles en nog wat binnen een complexe matrixorganisatie is geen sinecure en vereist de nodige aandacht en voorbereiding. In een poging om de last van accreditatie te verminderen  introduceerde de Minister van Onderwijs in het document ‘Focus op kwaliteit’ (OCW, 2009) de instellingsaudit voor hoger onderwijs-instellingen. Indien hogescholen deze toets met goed gevolg doorstaan is sprake van ‘verdiend vertrouwen’ en worden de opleidingen van die instelling  volgens een alternatief regime getoetst op hun onderwijskwaliteiten. Uitgangspunt hierbij is dat de professional zijn of haar aandacht kan steken in verbetersuggesties van deskundigen die over kernfacetten van het vak gaan en zich minder bezig hoeft te houden met allerlei randvoorwaardelijke facetten die meer op het niveau van de instelling liggen. Zo kan meer ruimte geboden worden aan de professional om te werken aan verdere substantiële kwaliteitsverbetering.

Maar wat merkt de student van het nimmer aflatende streven van hogeschoolinstellingen om te voldoen aan hun kwaliteitsdoelen? Heeft het visitatieteam van onafhankelijke experts (dat een oordeel uitspreekt over ‘accreditatiewaardigheid’ van een opleiding en dit beschrijft in een  opleidingsrapport) wel oog voor de kleine kwaliteit? Is dat belangrijk?

In de NCR van 30 maart jl. wordt melding gemaakt van verziekte verhoudingen bij de Vrije Universiteit Amsterdam. Docenten vinden geen gehoor voor hun onvrede die naar verluid al jaren sluimert als een veenbrand. “Al werk ik me suf om het allerbeste onderwijs te geven, als ik eerst een tijd bezig ben een geschikte collegezaal te zoeken, geven studenten me toch een slechte beoordeling”, zegt een docent. De VU blijkt nog niet toe aan de instellingsaudit zo is inmiddels komen vast te staan. In het oordeel van een ingehuurde onderzoekscommissie “speelt de nadruk op formele processen en het gebrek aan aandacht voor informele contacten de VU parten”. De studenttevredenheid heeft een dalende trend en ligt ver onder het landelijk gemiddelde. De kleine kwaliteit wordt door studenten als onder de maat beschouwd en deze steken dit niet onder stoelen of banken.

Het is de kleine kwaliteit die sterk spreekt in de Nationale Studenten Enquête. Vraag een doorsnee student naar zijn/haar opleiding en grote kans dat deze eerst zal noemen of zaken rond het onderwijs al dan niet goed geregeld zijn. De beoordeling (accreditatie) van grote kwaliteit wordt beïnvloed door de kleine kwaliteit. De kleine kwaliteit wordt grotendeels bepaald door professionaliteit. En daarmee raken we de essentie: de drijvende kracht achter kwaliteit, de grote en de kleine, wordt bepaald door het professionele gedrag van de medewerker op alle niveaus binnen de schoolorganisatie. Het lijkt er op dat als de kleine kwaliteit niet deugt,  de grote kwaliteit ook nog veel te wensen over laat.
Kleine kwaliteit ontstaat bottom-up; professionals worden warm van kleine kwaliteit; professionals bekommeren zich om het welzijn van studenten en elkaar. Ze zijn betrokken. Professionals willen leren en zijn bereid om naar het eigen handelen te kijken. Onderwijsverzorgende professionals gaan intervisie en collegiale consultatie niet uit de weg. Professionals vragen en bieden ondersteuning. Het belang van het team moet hierbij niet onderschat worden: een goed team maakt het mogelijk dat persoonlijke, professionele uitdagingen minder persoonlijk worden gemaakt en voor lastenverlichting en saamhorigheid zorgt. Het is de ‘will to please’ van de professional die zorgt voor een grote kleine kwaliteit.
Maar een professionele houding moet blijvend worden gevoed. Medewerkers moeten gelukkig zijn in hun werkomgeving. Ze moeten gehoord worden en het gevoel hebben en zien dat hun bijdrage er toe doet. Tijdig weten wat er speelt, goed of slecht. Transparante communicatie. Het lijken net studenten.




Literatuur

OCW (2009). Focus op kwaliteit. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.